De rol van cholesterol: een molecuul met twee gezichten

Cholesterol… we willen er liefst zo weinig mogelijk van in ons lijf. Of toch niet? Dit goedje met een slechte reputatie speelt weldegelijk een zeer belangrijke rol in ons lichaam: het is een onderdeel van onze celmembranen en is een precursor voor bepaalde hormonen, gal en vitamine D.

De structuurformule van cholesterol (bron: publiek domein) 

Sterolen zijn, samen met triglyceriden en fosfolipiden, een van de drie soorten lipiden (vetten) in ons dieet. Dierlijke cellen bevatten enkel cholesterol, terwijl planten andere sterolen bevatten zoals sitosterol, campesterol, stigmasterol enzovoort. De structuren van al deze moleculen verschillen slechts in kleine details. Het woord cholesterol zelf komt van het Griekse cholè (gal) en stereos (vast), gevolgd door de chemische suffix –ol, dat een alcohol aanduidt. Dit duidt al een van de belangrijkste rollen van cholesterol aan: het is nodig voor de aanmaak van gal, dat op zijn beurt gebruikt wordt bij de vertering van vetten. Verder is het ook een belangrijke component in de aanmaak van steroïde hormonen (zoals bijvoorbeeld oestrogeen, testosteron en progesteron) en in celmembranen. Doordat het een stijve, onbeweeglijke molecule is (in tegenstelling tot gewone vetzuren die alle kanten op kunnen bewegen), helpt cholesterol onze membranen een zekere stevigheid te bewaren. Een beetje cholesterol is dus niet te versmaden. Hoewel het in ons voedsel zit, wordt cholesterol niet beschouwd als een nutriënt, omdat ons lichaam het zelf kan aanmaken in de lever. Gemiddeld komt slechts een vijfde tot een derde van de cholesterol aanwezig in ons lichaam uit ons voedsel.

De route die cholesterol aflegt in ons lichaam (bron: Mens 75)

Vetten (en dus ook de cholesterol) worden verteerd in onze dunne darm. Omdat triglyceriden en sterolen slecht oplosbaar zijn in water (denk maar aan olievlekken op zee bijvoorbeeld), worden ze verpakt in eiwitten, in kleine pakketjes die chylomicronen genoemd worden. Dit zijn de transporteurs van vetten in onze bloedbaan. Onderweg worden de triglyceriden onder de vorm van vetzuren afgezet waar ze maar nodig zijn, in de spieren of in ons vetweefsel, door middel van het enzym lipoproteïne lipase (LPL). Daardoor blijft er uiteindelijk in de chylomicronen enkel nog cholesterol en een kleine fractie triglyceriden over. Dit pakketje eindigt in de lever en wordt daar opgeslagen. Van hieruit kunnen de triglyceriden en cholesterol opnieuw in de bloedbaan terecht komen wanneer nodig, in pakketjes die heel gelijkaardig zijn aan de chylomicronen: de VLDL of very low density lipoproteïnes. Opnieuw zorgt LPL ervoor dat de triglyceriden op de juiste plek terecht komen. Het pakketje dat nu overblijft wordt LDL of low density lipoproteïne genoemd en wordt vaak in verband gebracht met hart- en vaatziekten. Door middel van LDL wordt het cholesterol getransporteerd naar de cellen die het nodig hebben.

Goede en slechte cholesterol: vooral een kwestie van fout taalgebruik

Traditioneel staat LDL bekend als de ‘slechte’ cholesterol en HDL (high density lipoproteïnes) als de ‘goede’ cholesterol. Dat komt omdat ze tegengestelde functies hebben: LDL brengt cholesterol van de lever naar de cellen, waarbij het afzettingen kan vormen in de wanden van de bloedvaten (zie Mens 75 voor meer informatie over deze zogenaamde atherosclerose), terwijl HDL de cholesterol van onze cellen naar de lever transporteert. Maar is het plaatje wel zo simpel?

LDL kan zorgen voor vetafzettingen op de wanden van de bloedvaten terwijl HDL deze weer verwijdert. Ongeveer een derde van de cholesterol in ons bloed is aanwezig als HDL, de rest als LDL. (Bron: Auke Herrema)

Epidemiologisch onderzoek toont aan dat mensen met een hoger LDL niveau een verhoogd risico op hartziekten hebben. Ook bij mensen die van nature een verhoogd LDL niveau hebben, zien we dit verhoogde risico en het tegenovergestelde geldt voor mensen met een genetisch laag niveau aan LDL. Ook weten we dat statines, medicatie die het LDL niveau doen afnemen, hart- en vaatziekten helpen voorkomen.

Voor HDL is het plaatje minder duidelijk. Hoewel epidemiologisch onderzoek aantoont dat mensen met een hoger HDL niveau in het bloed een lagere kans hebben om hartziekten te ontwikkelen, verlaagt medicatie die dat HDL niveau stimuleren dit risico niet. In tegendeel, deze medicatie verhoogt zelfs het risico op hartziekten! Ook helpt een genetische aanleg voor een hoog HDL niveau niet om hartziekten te vermijden. De rol van HDL bij de ontwikkeling van hartziekten is dus nog niet helemaal duidelijk.

Cholesterol controleren

In tegenstelling tot wat je vaak hoort, heeft de hoeveelheid cholesterol in ons voedsel weinig of geen impact op de hoeveelheid cholesterol in ons bloed. Dit komt deels doordat twee derde van de aanwezige cholesterol door ons lichaam zelf aangemaakt wordt. Verder varieert de efficiëntie waarmee mensen cholesterol uit het voedsel opnemen zeer sterk, van 30 tot 80%. Dit zorgt ervoor dat slechts bij 25 à 30% van de bevolking een verhoging van het cholesterolgehalte in het dieet ook een verhoging van het cholesterolniveau in het bloed tot gevolg heeft.

Om je cholesterolniveau onder controle te houden, kan je natuurlijk voedsel dat rijk is aan cholesterol vermijden, zoals eieren, orgaanvlees en schaaldieren. Verder spelen groenten een belangrijke rol in de beheersing van je cholesterol. Vezels verminderen bijvoorbeeld het cholesterolniveau in het bloed en plantensterolen wedijveren met cholesterol voor opname in het bloed, waardoor de opname van cholesterol daalt. Deze laatste maatregelen helpen ook als je pech hebt met je genen en je van nature een hoge cholesterol hebt.

Genetisch of niet, veel of weinig HDL, het is duidelijk dat een hoge cholesterol de nodige gevaren met zich meebrengt. Je kan dus maar beter bewust omgaan met wat er in je lichaam terecht komt!

Meer weten? Bekijk dan zeker eens Mens 93 of boek een lezing van onze eigenste Chris Thoen!

Geplaatst door Marjolein op 17/08/2017 om 21:41